vrijdag 17 februari 2012

INTERPELLATIE MERIBA

Ondergetekenden,

R.Randjietsingh, G. Castelen, Ch. Santhoki, R.Venetiaan, R.Wijdenbosch, L.Soerdjan, G. Kandhai, M. Rathipal, M.Jogi, S. Girjasing, P.Kensenhuis, A. Tjin-A-Tsoi

allen leden van De Nationale Assemblee, hebben hierbij de eer krachtens artikel 39 van het Reglement van Orde, het volgende motie voor te leggen aan De Nationale Assemblee ter goedkeuring.

Paramaribo, 16 februari 2012

 

De Nationale Assemblee,

-          Gelezen,

 

het schrijven van de President dd 8 februari 2012 in verband vragen die zijn gesteld met betrekking tot de gratieverlening aan Romano Anthony Meriba; ;

 

 

Overwegende,

  

-          dat de President in zijn beantwoording bevestigt dat bij gratieverlening zijnerzijds een advies vooraf van de vonnissprekende rechter nodig is;

 

-          dat advisering door de vonnisgevende rechter, voor de uitoefening van de gratiebevoegdheid door de President, ook het gebruik in ons land, gezien de gratiebesluiten vanaf 1975 tot 6 juni 2011;

 

-          dat de President in zijn bovengemelde beantwoording stelt, dat bij Presidentieel Besluit van 6 juni 2011 (PB no 16/2011, SB 2011/66) aan gedetineerden collectieve gratie werd verleend ivm 35 jaar onafhankelijkheid, waarbij advies van het Hof van Justitie was gevraagd en verkregen;

 

-           dat de President aangeeft dat op de lijst van namen behorende bij die collectieve gratieverlening de naam van R.A. Meriba, voornoemd, ook op de daarbij behorende collectieve lijst voorkwam;

 

-          dat de President niet aangeeft  waarom betrokkene toen buiten die collectieve gratieverlening is gevallen;

 

-          dat (indien het door de President gestelde juist is) het wel duidelijk is, dat betrokkene volgens de door de bedoelde gratiebesluit van 6 juni 2011 (PB no 16/2011) in aanmerking zou zijn gekomen voor gratie voor 15 maanden en niet meer;

 

-          dat de President met het Presidentieel Besluit, PB no 38/2011, dd 22 december 2011, in strijd met het PB van juni 2011 en zonder advies van de betrokken rechter, betrokkene gratie heeft verleend voor  6 jaar en 1 maand;

 

-          dat het bovenstaande maakt, dat deze laatste gratieverlening van 22 december 2011, in strijd is met gemeld Presidentieel Besluit van juni 2011, eveneens dat deze laatste gratieverlening niet gedekt wordt door een advies van de betrokken rechter;

 

-          dat volgens de President zelf in het gemeld PB van 22 december jl, het gaat om een individuele gaat waarover geen advies van de betrokken rechter is gevraagd; het betreft dus niet de collectieve gratieverlening waarover geadviseerd is door het Hof van Justitie;

 

-          dat daar de President bij zijn besluit, om aan betrokkene individueel gratie te verlenen geen advies ter zake heeft gevraagd aan de vonnisgevende rechter in strijd handelt met de Grondwet artikel 109;

 

 

-          dat de mening van de President dat in een bepaald geval gegeven advies van de vonnisgevende rechter dienende voor een collectieve gratieverlening, ook geldt, voor gratieverleningen in ander individueel geval en wel na verloop van een periode van 6,5 maanden,  in strijd is met de Grondwet; dit omdat de Grondwet de gedachte weergeeft dat bij elke gratieverlening de betrokken rechter advies moet uitbrengen; De grondwet wenst duidelijk te voorkomen dat een advies van een niet betrokken rechter gebruikt wordt door de President om gratie te verlenen, dat is duidelijk in de Grondwet ontzegd;

 

-          dat de regeling in het PB van juni 2011 (PB 16/2011) luidende, dat, later op basis van het advies gegeven voor de juni 2011 collectieve gratieverlening, aan andere gedetineerden individueel gratie kon worden verleend, in strijd is met de Grondwet en derhalve nietig, omdat een wettelijke regeling van lagere orde (in casu een Presidentieel Besluit) nimmer opzij kan schuiven een wettelijke regeling van hogere orde (de Grondwet), hetgeen in casu wordt beoogd;

 

-          dat het recht van gratie van straffen geen vrijbrief biedt aan de President om naar eigen inzichten en willekeur te handelen zonder advies van de betrokken rechter c.q. het Hof van Justitie en om misbruik te maken van zijn bevoegdheid;

 

-          dat met dit handelen van de President niet voldaan is aan het grondwettelijk  vereiste, waardoor de gratieverlening in strijd met de Grondwet is geschiedt en derhalve nietig is.

 

-          dat overeind blijft onze mening met betrekking tot de overweging van de President, die gegolden heeft voor de gratieverlening met betrekking tot “redelijk termijn” voor de afwikkeling van de betrokken hoger beroep, namelijk dat dit niet een aangelegenheid is voor de President, doch van de Rechterlijke Macht;

 

-          dat de President met deze beoordeling op de stoel is gaan zitten van de betrokken rechter(s), een handeling van de President die met alle nadruk moet worden afgewezen in het belang van het behoud van onze rechtsstaat Suriname, eveneens voor het behoud de rechtszekerheid en rechtsbescherming in de samenleving;

 

Besluit:

af te keuren het onrechtmatig handelen van President bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om gratie te verlenen in verband met de gratieverlening aan Romano Anthony Meriba, zoals hierboven aangegeven.

 

 

Geen opmerkingen: